Saturday, May 27, 2006

Hartproblemen hond




Inleiding

Het hart van uw hond is een spierpomp die onderverdeeld is in vier ruimten. Het lijkt veel op uw eigen hart wat functie en structuur betreft. Deze pomp kan bij de geboorte defecten vertonen. Ook kunnen honden op latere leeftijd problemen krijgen aan hun hart. De meest voorkomende hartproblemen bij de hond worden veroorzaakt door de hartkleppen (klepinsuffiëntie) of de hartspier (gedilateerde cardiomyopathie).
Als bij uw hond de diagnose hartfalen is gesteld, hoeft u niet ontmoedigd te raken. Met uw zorg en de geschikte medicatie van uw dierenarts is er nu vooruitzicht op een beter, langer leven voor uw hond. Als u de aandoening van uw hond begrijpt, kunt u uw hond beter helpen.




Klepinsufficiëntie
Klepinsufficiëntie is de meest voorkomende vorm van hartziekte bij honden. Het komt over het algemeen vaker voor bij kleine tot middelgrote honden dan bij grote honden. Er lijkt ook sprake te zijn van een genetische aanleg voor het ontstaan van hartziekte omdat sommige rassen vatbaarder zijn dan andere. Rassen die meer dan gemiddeld aan hartziekte lijden zijn onder andere: Cavalier King Charles spaniels, poedels, schnauzers, chihuahuas, foxterriers en Boston terriers. De ziekte komt vaker voor bij reuen dan bij teven. Het zijn meestal oudere honden die aan deze ziekte lijden, maar sommige honden zijn vrij jong als de ziekte begint.

Klepinsufficiëntie is een ziekte die het oppervlak van de hartkleppen aantast. Het wordt ook wel chronische mitralisklepinsufficiëntie genoemd. De kleppen zijn normaal gesproken glad en sluiten hermetisch af als ze dicht zijn. Door klepinsufficiëntie raken de randen verdikt, knobbelig en vervormd. De klep sluit niet meer goed af en als de kamer het bloed wegpompt, stroomt een deel ervan terug in de boezem. Dit terugstromen veroorzaakt een specifiek geluid dat uw dierenarts kan horen met een stethoscoop. Dit geluid wordt een ruis genoemd.

Omdat de hartkleppen nu lekken, raakt de bloedcirculatie verstoord. Het lichaam van uw hond kan zich hieraan aanpassen. Sommige honden redden het zelfs vele jaren met een ruis. Maar op een gegeven moment wordt de ziekte sterker dan de aanpassingen en kan de hond ziek worden en tekenen van hartfalen vertonen. Klepinsufficiëntie kan het lichaam van uw hond op verschillende manieren aantasten.

Gedilateerde cardiomyopathie
Gedilateerde cardiomyopathie is een ziekte van de hartspier. Het is bekend dat gedilateerde cardiomyopathie veroorzaakt kan worden door specifieke voedingsdeficiënties, maar in veel gevallen is de oorzaak van de ziekte onbekend. Er zijn echter diverse theorieën, onder andere over genetische factoren, virusinfecties, blootstellingen aan giftige chemische stoffen en aminozuurdeficiëntie.

Gedilateerde cardiomyopathie komt vaker voor bij middelgrote tot grote rassen dan bij kleine honden. Sommige rassen zijn vatbaarder voor de ziekte dan andere, zoals dobermans, cocker en springer spaniels, boxers, Ierse setters, Duitse herders, Deense doggen, Sint Bernards en Ierse wolfshonden. De ziekte komt het meeste voor bij reuen van middelbare leeftijd.

Bij gedilateerde cardiomyopathie kan het hart niet goed pompen. De samentrekkingen van het hart zijn zwak en het bloed wordt minder efficiënt aan het lichaam geleverd als voorheen. Daarbij komt dat het hart uitrekt en vergroot wordt.

Omdat het hart niet goed meer kan pompen, raakt ook de bloedcirculatie verstoord. Het lichaam van uw hond kan zich aanpassen om hiermee om te gaan. Op een bepaald moment zullen de aanpassingen echter niet meer toereikend zijn en kan de hond ziek worden en tekenen van hartfalen vertonen. Gedilateerde cardiomyopathie kan het lichaam van uw hond op verschillende manieren aantasten.

Symptomen van hartziekten
De verschijnselen van hartziekten kunnen in het begin heel gering zijn en daarom moeilijk te herkennen. Naarmate de klepinsufficiëntiete voortschrijdt, kunnen de symptomen echter ernstiger worden. Deze verschijnselen treden op omdat vocht zich ophoopt of omdat de vitale organen niet worden voorzien van het bloed, en dus de zuurstof, die ze nodig hebben.
De verschijnselen van gedilateerde cardiomyopathie kunnen in het begin eveneens heel gering zijn en daarom moeilijk te herkennen. Naarmate de ziekte voortschrijdt, kunnen de symptomen echter ernstiger worden. Gedilateerde cardiomyopathie wordt over het algemeen vrij snel erger.
Tot de verschijnselen van beide aandoeningen behoren:

* Lusteloosheid / depressie
* Slechte eetlust
* Gewichtsverlies
* Zware ademhaling
* Hoesten
* Zwakte
* Flauwvallen
* Opgezette buik (ascites).

Diagnose van hartaandoeningen
Regelmatige bezoeken aan de dierenarts zijn erg belangrijk voor het vroeg opsporen van hartziekte en voor de controle van de behandeling van een hond met hartziekte. Een grondig lichamelijk onderzoek levert aanwijzingen op voor alle hartproblemen. Door met een stethoscoop naar het hart van uw hond te luisteren kan de dierenarts vaststellen of er sprake is van een ruis. De hartslag en het hartritme kunnen ook worden beoordeeld door het gebruik van een stethoscoop.
Röntgenfoto's zullen vocht op de longen en een mogelijke vergroting van het hart aan het licht brengen.
Met een elektrocardiogram (ECG) kan de elektrische activiteit van het hart geregistreerd worden en dit kan gebruikt worden om hartritmestoornissen te diagnosticeren.
Tenslotte kan echografie - dezelfde techniek die gebruikt wordt om babys in de baarmoeder te controleren - gebruikt worden om het hart te beoordelen terwijl het werkzaam is. De wanden, kamers, boezems, kleppen en bloedvaten van het hart kunnen nauwkeurig driedimensionaal worden bekeken. Hoewel echografie de meest nauwkeurige methode is om hartziekte te diagnosticeren, hoeft het bij duidelijke gevallen van hartziekte niet nodig te zijn.

Epilepsie hond



Wat is epilepsie?
Epilepsie treedt aanvalsgewijs op, als gevolg van een storing in de hersenfunctie. Er ontstaat een overmaat aan prikkels (kortsluiting). Er worden twee groepen epilepsie onderscheiden: toevallen met een oorzaak (b.v. een leveraandoening) en toevallen zonder aanwijsbare oorzaak (een overmaat aan zenuwprikkels). Om een eventuele oorzaak op te sporen kan een uitgebreid lichamelijk- en bloedonderzoek plaatsvinden. Tijdens een aanval hebben de dieren geen pijn en zijn ze zich niet bewust van de aanval. Aanvallen van epilepsie herhalen zich onvoorspelbaar; meteen na afloop kan een nieuwe beginnen, maar dat kan ook over een uur of een half jaar. Toevallen kunnen ook optreden tijdens de slaap.
Als aanvallen zonder rustpauze steeds terugkomen en daardoor langer dan een halfuur duren (status epilepticus) of zeer hevig zijn, is met spoed diergeneeskundige hulp nodig.

Welke dieren krijgen epilepsie?
• Epilepsie komt vaker voor bij de hond dan bij de kat
• Sommige hondenrassen, zoals poedel en spaniël, blijken gevoeliger te zijn. Ook nerveuze honden kunnen eerder toevallen krijgen.
• Het wordt afgeraden om een dier dat epilepsie (gehad) heeft voor de fokkerij te gebruiken.

Hoe herkennen we een epileptische aanval of toeval?
Voortekenen:
• Rusteloosheid, nervositeit, neiging tot verstoppen, aandacht vragen, janken, speekselen, spiertrekkingen

De aanval: duurt enkele seconden tot meerdere minuten:
• Speekselen, kwijlen, schuimbekken
• Niet reageren op aanroepen of aanhalen (laat het dier ook liever met rust!)
• Bewustzijn verminderd of afwezig
• Hevige krampen van alle spieren, fietsbewegingen
• Klappertanden, bijten
• Geheel verslappen
• Katten kunnen plotseling gaan rennen

Herstelfase:
• Van slag zijn, rusteloosheid, vertraagd reactievermogen, neiging tot eten of drinken

Wat is er aan te doen?
• Er zijn medicijnen die het ontstaan van toevallen onderdrukken. Deze medicijnen hebben als (bij)werking dat het dier rustiger of slomer wordt.
• Bij een eerste aanval worden meestal nog geen medicijnen voorgeschreven: het kan best zijn dat een tweede aanval zeer lang uitblijft. Na een eerste aanval dient dan ook een 'dagboek' bijgehouden te worden met de data en de heftigheid van de aanvallen.
• Indien medicijnen gewenst zijn, kan men zorgen deze (tabletten) in huis te hebben, en zodra de eerste voortekenen van een aanval zich voordoen, te geven. Indien de aanval toch doorzet kan men eventueel een zetpil toedienen om de duur van de aanval te bepreken.
• Indien de aanvallen zo vaak en/ of zo heftig voorkomen dat continue medicijnengift gewenst is, moet men er rekening mee houden dat de lever de medicijnen steeds sneller gaat afbreken, zodat een steeds hogere dosis nodig kan zijn.
• Behandeling is in het algemeen lang: soms het gehele verdere leven.

castratie & sterilisatie kat



De meeste mensen die een kitten nemen staan er niet bij stil dat het leuke jonge diertje dat zij hebben, al na 6 tot 9 maanden geslachtsrijp is. 
Op deze leeftijd worden poezen voor de eerste keer 'krols' en gaan katers 'stinken'. Poezen worden dan zeer aantrekkelijke voor katers die 'op liefdespad' zijn. Indien geen maatregelen worden getroffen, leiden zelfs kortstondige ontmoetingen tussen beide geslachten, 9 weken later tot gezinsuitbreiding.

Castratie van de kater
Castratie betekent het verwijderen van de testikels (ballen). De testikels vormen niet alleen de zaadcellen maar ook mannelijke hormonen. Die hormonen veroorzaken het katergedrag, de typische katergeur en ook het uitgroeien tot het brede katertype. Het eerste voordeel van castratie is dat de kater geen jongen meer kan verwekken. Vaak wordt de 'ex-kater' ook veel huiselijker en gezelliger; hij heeft minder de neiging om van huis weg te lopen, te zwerven en te vechten, waardoor ook de kans op ontstekingen en vechtabcessen aanzienlijk vermindert. Een ongecastreerde kater plast vaak in huis en de urine heeft een typische sterke 'katergeur'. Die geur verdwijnt altijd na castratie. Het sproeigedrag verdwijnt vrijwel altijd, al is er geen volledige garantie dat de kat zindelijk wordt. Soms is ook een gecastreerde kater onzindelijk, maar dan zijn er meer factoren van invloed dan alleen de geslachtshormonen.

Een kater kan in elk geval worden gecastreerd vanaf een leeftijd van 6 maanden. Soms zijn ze al op jongere leeftijd erg lastig (in huis plassen etc.). Omdat er voor de gezondheid van het dier geen bezwaar tegen is, mag de castratie dan ook op jongere leeftijd plaatsvinden.

Voor het uitvoeren van de castratie wordt de kater onder narcose gebracht. Na desinfectie van het gebied wordt in de balzak beiderzijds een klein sneetje gemaakt, de testikels worden naar buiten gebracht, afgebonden en weggenomen. Door samentrekken van de huid gaan de wondranden naar elkaar toe; de wondjes worden niet gehecht.

Sterilisatie van de poes
Er wordt meestal van sterilisatie gesproken, terwijl de ingreep in werkelijkheid castratie genoemd moet worden. Sterilisatie betekent alleen het onvruchtbaar maken; castratie betekent het wegnemen van de eierstokken en dat is wat er bij de ingreep gebeurt. De krolsheid van een poes veroorzaakt meestal overlast; een krolse poes kan nogal wat herrie maken. Na het verwijderen van de eierstokken is de poes onvruchtbaar en doordat de hormoonproductie wegvalt wordt ze ook niet meer krols.

Vanaf 6 maanden oud is een goede leeftijd om een poes te laten steriliseren. Als ze al op jongere leeftijd krols worden, kan door gebruik van de poezenpil de krolsheid worden tegengegaan. Eventueel kunnen ze ook al jonger (vanaf 6 maanden) worden gesteriliseerd. De krolsheid kan ook wel op langere termijn door tabletten of een injectie worden onderdrukt. Langdurig gebruik van hormonen heeft echter nadelen (melkkliergezwellen) en daarom is de sterilisatie een veel betere oplossing.

Ook bij de poes wordt de ingreep onder een volledige narcose verricht. Het gaat hier echter om een buikoperatie en daardoor is de ingreep zwaarder dan bij de kater. Nadat een sneetje in de buikwand gemaakt is worden de eierstokken buiten de buikholte gebracht, enkele bloedvaten worden afgebonden, de eierstokken en soms ook de baarmoeder worden verwijderd. Daarna worden buikwand en huid weer gehecht. Soms kunnen de hechtingen geheel inwendig geplaatst worden, zodat er geen uitwendige huidhechtingen nodig zijn.

Kater en poes
In beide gevallen moet voor de ingreep een afspraak worden gemaakt. De dieren moeten nuchter gebracht worden; dat betekent vanaf 12 uur voor de ingreep niet meer eten (wel drinken). Na de behandeling blijven de dieren enkele uren in de kliniek totdat ze weer wakker zijn en veilig naar huis toe kunnen. Thuis moet de kat een warm, rustig plekje krijgen waar hij of zij verder kan bijkomen. Andere huisdieren kunnen het beste uit de buurt gehouden worden totdat de patient weer helemaal bij is en stevig op de poten staat. Tot dat moment moet ook voorkomen worden dat een kat bijvoorbeeld van een trap af zou kunnen vallen. Poezen mogen op de dag van de operatie nog niet eten. Als een kater er echt om vraagt mag hij een klein beetje voedsel hebben. Als dat niet wordt uitgebraakt dan mag eventueel wel wat meer gevoerd worden. Zodra ze daar goed toe in staat zijn, mogen zowel kater als poes weer te drinken krijgen. Als een kat 2 dagen na de ingreep nog niks wil eten, moet u contact met de kliniek opnemen. Houdt de kater en zeker de poes minstens 3 dagen binnen totdat ze weer helemaal de oude zijn. Als er bij een poes uitwendige huidhechtingen zijn gebruikt dan moeten die na een dag of 10 op het spreekuur worden verwijderd.

Hiernaast ziet u links naar foto's van deze operaties.

Blaasontsteking kat


foto:
Röntgenfoto van de buik van een kat met stenen in de blaas (zie rode pijl)




Blaasontsteking, blaasgruis en/ of een verstopte plasbuis bij de kat


Wat is blaasontsteking?
Bij blaasontsteking is de blaaswand ontstoken en daardoor uitermate gevoelig: elke druppel urine die vanuit de nieren in de blaas terecht komt wekt een spastische samentrekking van de blaas op. De kat zit dan ook vrijwel continue te persen.
Bij blaasontsteking blijft vrijwel geen enkele kat zindelijk. De aandoening komt bij zowel de poes als de kater voor, maar kan voor de kater soms dodelijk aflopen.

Hoe herkennen we een blaasontsteking en hoe ernstig is het?
Meestal doet een kat met blaasontsteking heel vaak, kleine, bloederige plasjes. Soms loopt de kat voortdurend te druppelen, of zit de kat continue te persen en komt er niets of slechts een druppeltje. Bij deze verschijnselen laten we de kat altijd komen voor een lichamelijk onderzoek, met het verzoek om wat urine mee te brengen. Bij het lichamelijk onderzoek wordt gecontroleerd of de blaas leeg is of juist overvol.
Met name bij katers kan namelijk een 'dichtzitten' van de plasbuis als complicatie van blaasontsteking optreden. De kat perst dan (in het begin) wel alsof hij moet plassen, maar er komt vrijwel niets. Hij zit hierbij vaak klaaglijk te miauwen. De blaas raakt dan overvol, en de nieren kunnen uiteindelijk ook geen urine meer kwijt aan de blaas en raken gestuwd. Het dier vergiftigt dan zichzelf en raakt in shock. Als er niet snel ingegrepen wordt bij een verstopping van de plasbuis leidt dit onherroepelijk tot de dood. Zelfs indien de plasbuis ontstopt wordt en de shock bestreden, kan het dier overlijden omdat andere organen (nieren, hart, lever) al teveel te lijden hebben gehad.

Herhaaldelijk urineonderzoek
De urine wordt onderzocht om de diagnose (blaasontsteking) met zekerheid te stellen. Tevens wordt gekeken naar de zuurgraad van de urine en de aanwezigheid van eventuele kristallen. Kristallen zijn namelijk een verklikker van blaasgruis.
Aan het eind van de antibioticumkuur wordt de urine onderzocht om vast te stellen of de behandeling afdoende is geweest. Op de praktijk hebben we speciale kattenbakkorrels (Katkor®), waarmee gemakkelijk en veilig urine van een kat op te vangen is.

Blaasgruis
Blaasgruis kan een gevolg zijn van blaasontsteking, maar is bij de kat vaak juist de veroorzaker. Indien een kat blaasgruis vormt, is de kans op het ontstaan van een plasbuis verstopping natuurlijk veel groter. Bovendien vormt het gruis een uitstekendevoedingsbodem voor infecties. Ook kunnen blaasstenen ontstaan.
Blaasgruis moet dan ook grondig bestreden en voorkómen worden, om herhaaldelijk optreden van blaasontstekingen en een verstoppingvan de plasbuis te voorkomen.

De behandeling van blaasontsteking
De behandeling van blaasontsteking bestaat uit een antibioticumkuur en eventueel pijnstillers. Blaasgruis gaan we te lijf met een (meestal levenslang) blaasdieet. Dit voer gaat de vorming van gruis tegen en bevat tevens stoffen die al gevormd gruis weer oplossen.
Slechts in enkele gevallen blijft blaasontsteking, ondanks een grondige behandeling, steeds terugkomen. Dan blijkt er soms sprake te zijn van blaasstenen van een zeldzame soort kristallen of van poliepen in de blaas. Een röntgenfoto kan deze boosdoeners aantonen. Heel zelden blijft een kat afwijkend plassen terwijl geen
nfectie, stenen of poliepen aanwezig zijn. Dan is er sprake van een spastische blaas. Behandeling van dit spasme is erg lastig en helaas niet altijd succesvol.

Wormen paard




Vrijwel alle paarden in Nederland zijn min of meer besmet met inwendige parasieten. Vooral infecties door wormen en hun larven zijn belangrijk. Daarnaast zijn ook larven van de paardenhorzel vaak aanwezig.

De levenscyclus van een worm
Een paard wordt besmet door het opnemen van een larve of ei van een worm via de mond. In het lichaam van het paard groeit de larve uit tot een volwassen worm. Deze wormen leven doorgaans in de darmen van het paard. De volwassen worm legt eitjes, vaak vele duizenden, die met de mest van het paard mee naar buiten komen. Deze duizenden eitjes zorgen weer voor een nieuwe besmetting als zij door andere paarden worden opgenomen met het gras.
Bij sommige wormen, zoals de spoelwormen en de aarsmaden ontwikkelen de larven zich al in het ei. Deze wormen kunnen ook op stal al voor besmetting zorgen. In de eieren van andere soorten wormen, zoals longwormen komen de larven pas tot ontwikkeling als zij enige tijd in het gras van het weiland hebben gelegen. Deze wormbesmetting kunnen paarden dan alleen maar oplopen als zij in de wei lopen.
Hieruit blijkt echter wel, dat ook een paard dat geen weidegang krijgt een wormbesmetting kan hebben en ontworming nodig heeft!
Bij andere wormen komen alleen op het weiland uit de eitjes larfjes die weer andere paarden kunnen besmetten. Deze infecties met bijvoorbeeld de strongyliden treden alleen op bij paarden als zij in de weide lopen. Bij sommige wormen gaan de opgenomen wormen larven niet rechtstreeks naar de darmen, maar maken eerst een trektocht door het lichaam van het paard. Hierdoor wordt schade aangericht aan de organen en dat maakt het preventief ontwormen van uw paard zo belangrijk!

Welke wormen kun je bij het paard tegenkomen?
• veulenworm (strongyloides westeri)
• grote strongyliden
• kleine strongyliden
• spoelworm (parascaris equorum)
• aarsworm (oxyuris equi)
• lintworm (anaplocephala perfoliata)
• longworm (dictyocaulis arnfieldii)

Veulenworm
De larve van de veulenworm wordt door de merrie met de melk uitgescheiden. Het veulen wordt op deze manier gemakkelijk besmet. Ook kan een larve via de huid binnendringen en vervolgens een trektocht door het lichaam maken. De met de melk opgenomen, besmettelijke larven, worden in het lichaam van het veulen snel volwassen. Zo kan een besmet veulen al tien dagen na de besmetting eitjes in de mest uitscheiden. Na vier dagen ontstaan uit deze eitjes de besmettelijke larven. Deze kunnen weer door de huid heendringen en het veulen herbesmetten. Zestig procent van de Nederlandse veulens zijn geinfecteerd met de veulenworm. Besmette veulens hebben vaak diarree en koliek.

Grote strongyliden
Grote strongyliden zijn twee tot vijf centimeter grote wormen en zeker geen lieverdjes. Strongylus vulgaris maakt een trektocht door het lichaam. De larve kruipt door de darmwand en komt in de wand van de bloedvaten terecht. Vooral in de wand van de darmslagader, maar ook in de andere slagaders kunnen de larven ernstige beschadigingen veroorzaken. Uiteindelijk kruipen de larven weer naar de darmen, worden daar volwassen en leggen eitjes die met de mest in de buitenwereld terecht komen. Besmette paarden hebben diarree en soms koliek. Ze worden mager en hebben een doffe vacht. De eetlust is verminderd en ze kunnen koorts hebben. Ook kreupelheid en verlammingen kunnen het gevolg zijn van de beschadigingen die de larven in de slagaders veroorzaakt hebben.

Kleine strongyliden
De larven van dit kleinere broertje worm kunnen na opname in het darmslijmvlies in een ruststadium overgaan. In deze “winterslaap” kunnen ze wel twee jaar aanwezig blijven. In de rustfase zijn de larven ongevoelig voor de meeste wormmiddelen. In de winter en het vroege voorjaar komen de larven massaal uit de darmwand. Bij een ernstige besmetting zijn de gevolgen voor het paard groot. Vermageren, diarree, koliek en soms een zwelling van de onderborst kunnen dan optreden. In ernstige gevallen kan een paard aan de besmetting bezwijken. Deze infectie, ook wel cyathostominose genaamd, is eigenlijk de belangrijkste besmetting van onze paarden. Allereerst kunnen de gevolgen van een besmetting zeer ernstig zijn en daarnaast vraagt de preventie een gedegen en goed georganiseerde aanpak. Op plaatsen waar meerdere paarden bij elkaar gehouden worden kan dit het best overlegd worden met de dierenarts.

Spoelwormen
De spoelworm kan wel vijftig centimeter lang worden. Vooral veulens tot een leeftijd van zes maanden hebben last van deze worm. Na opname van het ei ontstaat hieruit de larve, die een trektocht maakt door het lichaam, waaronder de lever en de longen. In de longen worden de larven opgehoest en doorgeslikt, waarna zij in de darm terechtkomen en volwassen worden. De besmette veulens hebben een ruw haarkleed en een dikke buik. Ze groeien slecht en zijn snel moe. Ook de eetlust is slecht. Bij ernstige besmeting is het veulen sloom en wordt mager. Sommige veulens beginnen te hoesten en hebben last van neusuitvloeiiing. Als er zeer veel wormen aanwezig zijn, kan dat een verstopping van de darmen veroorzaken. Soms kan de darm zelfs scheuren, waardoor het veulen zal sterven.

Aarsworm
De aarsworm leeft in het achterste gedeelte van de darm van het paard. De wormen leggen eitjes rondom de anus. Wel achtduizend tot zestigduizend stuks. Dit veroorzaakt jeuk, waardoor het paard met zijn achterste tegen hekken en planken schuurt. De haren van de staart kunnen hierdoor afgebroken worden.

Lintworm
De lintworm leeft in de dunne en de blinde darm van het paard en kan enkele meters lang worden. Besmetting met deze worm kan koliek veroorzaken. Vaak zijn deze gevallen van koliek zeer ernstig. Bij besmetting met deze worm kunnen soms witte, platte wormen van ongeveer 3-4 cm lang in de ontlasting worden gezien. Behandeling tegen deze parasiet dient in overleg met uw dierenarts te gebeuren.

Longworm
Deze worm komt vooral voor bij ezels. De ezel heeft zelf zelden last van de besmetting. Worden paarden samen met ezels gehouden of geweid op land waar kort tevoren ezels hebben gelopen, kan het paard besmet worden. Een paard met een longwormbesmetting heeft een hardnekkige, droge hoest en een verminderde eetlust. De longen zijn aangetast door de wormen, waardoor het paard dampig kan worden.

Paardenhorzel
De paardenhorzel is geen worm, maar wel een inwendige parasiet van het paard. Het is een vlieg (Gastrophilus spp.) die vanaf mei maar vooral tussen augustus en oktober voor onrust onder de paarden kan zorgen. De vlieg legt zijn eitjes op de vacht van het paard met name op de onderbenen. Door likken neemt het paard vanaf de benen eitjes op. De larven komen in de maag van het paard terecht. Ze blijven daar meer dan een half jaar aanwezig en worden dan met de mest mee naar buiten gebracht. Via een popstadium ontstaat weer een nieuwe vlieg. De larven van de paardenhorzel kunnen maagbeschadigingen en vermagering veroorzaken. De eetlust is verminderd en de besmette paarden gapen vaak.

Behandeling en preventie
Besmetting is te voorkomen of te verminderen door:
1. niet teveel paarden tegelijk te weiden
2. de weiden regelmatig te maaien
3. de mest regelmatig uit de wei te halen
4. boxen van de paarden regelmatig te reinigen
5. bij een merrie met pasgeboren veulen de box dagelijks te reinigen en indien mogelijk dagelijks in de weide te brengen. Veulens kunnen op stal een grote Strongylidenbesmetting oplopen.

Ontwormen (zie foto boven)
Daarnaast moeten alle paarden regelmatig worden ontwormd. Afhankelijk van het gebruikte middel moet het paard om de zes, acht of twaalf weken behandeld worden. Niet alle wormen zijn gevoelig voor elk middel. Als larven en wormen niet meer doodgaan na gebruik van een bepaald product, noemen we dat resistentie of ongevoeligheid.

Er zijn globaal zes soorten wormmiddelen in de handel. Wettelijk mogen we hieronder geen produktnamen vermelden, maar toch staan ze er omwille van de duidelijkheid en overzichtelijkheid wel. Overleg met uw dierenarts welk middel voor uw paard(en) in uw situatie het meest geschikt is.
1. Benzamidazol-verbindingen (bijvoorbeeld telmin, rintal, equiminthe). Tegen deze middelen is veel resistentie in Nederland en deze producten moeten bij voorkeur niet worden gebruikt voor het routinematig preventief ontwormen van paarden.
2. Pyrantel (bijvoorbeeld strongid-P, anthel-P, equitel). Hiertegen is nog niet veel resistentie aangetoond. Wel moeten deze middelen elke zes weken worden herhaald. Ze zijn niet werkzaam tegen de paardenhorzel en ook niet tegen de ingekapselde strongyliden.
3. Ivermectine (Eqvalan, Furexel, Equarell). Tegen dit product is nog geen resistentie aangetoond. Elke acht weken moet een paard met ivermectine worden ontwormd. Tegen de ingekapselde strongyliden is het verminderd werkzaam, maar tegen horzellarven in de maag is het goed werkzaam.
4. Moxidectine (Equest). Dit product hoeft slechts een keer per twaalf weken te worden gebruikt. Doordat het middel zich ophoopt in het lichaamsvet is het langer in het lichaam van het paard aanwezig en dus ook langer werkzaam. Het werkt tegen de paardenhorzel-larven en is als enige product werkzaam tegen de ingekapselde larven van de strongyliden. Bij jonge dieren (onder de vier maanden) mag dit product niet worden gebruikt, omdat het vergiftigingen kan veroorzaken. Ook overdosering kan gevaarlijk zijn; dit gebeurt nogal eens bij veulens of jonge paarden.
5. Praziquantel (Drontal). Dit product helpt uitsluitend tegen lintwormen. Naast dit middel moet nog een middel gekozen worden om de overige wormen te bestrijden.
6. Er zijn ook combinatie-preparaten te verkrijgen, met ivermectine en pyrantel in een spuit om eventuele resistentie te omzeilen. Daarnaast bestaat er een ontwormingsspuit die een ivermectine met praziquantel combineert, zodat behalve de gangbare wormen ook de lintworm wordt bestreden. Overleg met uw dierenarts of dit ook elke keer nodig is.

Nog enkele aandachtspunten bij de behandeling tegen inwendige parasieten
• Na de geboorte van een veulen kan de merrie direct worden ontwormd.
• Het veulen mag na enkele dagen al ontwormd worden.
• Daarna zowel merrie als veulen elke zes weken behandelen tot aan het spenen.
• Nieuwe paarden die aan de koppel worden toegevoegd eerst ontwormen en 48 uur op stal afgezonderd houden van de rest van de groep.
• Alle paarden op een wei gelijktijdig behandelen.
• Zorg voor een juiste dosering. Onderdosering kan resistentie tot gevolg hebben.
• Ontworm de paarden op tijd, zorg voor het juiste doseringsinterval.
• Besteed vooral aandacht aan het juist ontwormen van veulens en jonge paarden.

Staart- en maneneczeem paard



Oorzaak
Staart- en maneneczeem is de meest voorkomende oorzaak van heftige jeuk bij het paard. Het is een aandoening die wordt veroorzaakt door een overgevoeligheid (allergie) voor de steken van het mugje "culicoïdes". Het wordt ook wel zomereczeem of in het engels ‘sweet itch’ genoemd.
 
Staart- en maneneczeem kan zowel paard als eigenaar tot wanhoop drijven omdat de jeuk zo heftig kan zijn dat het dier zich soms tot bloedens toe kaal schuurt aan letterlijk alles wat in de buurt is (voer- en waterbakken, stalmuur, hekwerk). Meestal worden, zoals de naam al suggereert, manen en staart geschuurd maar ook onder de buik kan de jeuk zo hevig zijn dat het dier zelfs ergens overheen gaat staan bewegen om maar te kunnen jeuken. Resultaat van het soms onophoudelijke schuren is vaak een kale staart en manenkam waarvan de huid zelfs helemaal verdikt en geplooid kan raken (zie foto boven).

Het culicoïdesmugje komt globaal vanaf maart tot en met oktober voor en gedijt vooral in de buurt van vegetatie en bomen. De mugjes worden met name actief tijdens zonsopgang en zonsondergang. De mug kan niet goed vliegen, dus als er veel wind staat zijn er nauwelijks mugjes. Vooral in vochtige zonnige zomers groeit de populatie mugjes explosief en kan dit dus veel overlast veroorzaken.
 
De symptomen openbaren zich vaak vanaf een leeftijd van 3-6 jaar en worden ieder jaar erger als het paard in contact blijft komen met de mugjes. In de winter zijn de paarden (nagenoeg) klachtenvrij. En het gebeurt dan ook nog wel eens dat paarden met dit probleem juist in dit jaargetijde worden verhandeld. In principe kan het bij alle paardenrassen voorkomen, maar Welsh ponies, IJslanders, Shetlanders en Friezen zijn vaker dan gemiddeld met het probleem behept.
 
Het beste bewijs dat het inderdaad om staart en maneneczeem gaat wordt geleverd als het paard wordt opgestald in een schone donkere stal. Meestal zullen dan de symptomen vervolgens na een week of 2-4 verdwijnen en onmiddellijk weer terugkeren als het paard weer in de wei komt. Een huidtest zoals bij humane allergieën wordt gebruikt voor de diagnosestelling is helaas bij het paard onvoldoende betrouwbaar.
 
Behandeling
Er zijn zeer veel methodes om staart en maneneczeem te voorkómen, te behandelen of althans de overlast ervan te beperken. Dit geeft eigenlijk al aan dat de ideale oplossing nog niet gevonden is...
 
Hieronder een aantal dingen op een rijtje.
• Contact met de mugjes zoveel mogelijk voorkomen. Dit kan door vliegenwerende middelen en dekens te gebruiken (tegenwoordig bij steeds meer fabrikanten speciaal voor dit doel verkrijgbaar met o.a. hals en kopstukken en brede flappen onder de buik). Maar ook opstallen tijdens zons op- en ondergang of verhuizen van het paard naar een minder bosrijke omgeving (aan zee!) worden genoemd.

• Locale behandeling. In milde gevallen kunnen sommige smeersels en crèmes uitkomst bieden. Ook insektensprays en sommige vlooiensprays voor honden bieden vaak uitkomst. Overleg met uw dierenarts welke produkten veilig zijn voor uw paard.

• 'Systemische' behandeling, d.w.z. via inspuiting of via de mond wordt een preparaat toegediend dat vervolgens zijn werking via de bloedbaan moet gaan vertonen.

1. Belangrijkste voorbeeld van dit soort behandelingen zijn bijv. corticosteroïden die door middel van inspuiting of capsules in de mond gegeven kunnen worden. Dit middel onderdrukt krachtig de overgevoeligheidreactie van het lichaam tegen het speeksel van de mugjes en is meestal zeer effectief. Het heeft echter ook nadelen want behalve de overgevoeligheidsreactie onderdrukt het ook de afweer van het paard en heeft in een klein percentage van de gevallen als bijwerking dat het paard er hoefbevangen van kan worden.

2. Er zijn aanwijzingen dat paarden die geënt worden tegen schimmelinfecties met Insol® minder last hebben van zomereczeem. De eerste enting moet dan wel vroeg in het voorjaar plaatsvinden voordat de klachten aanvangen. Momenteel wordt onderzocht of er werkelijk gunstige effecten zijn van deze vaccinatie.

3. Er zijn ook nogal wat homeopathische middelen op de markt die claimen te werken tegen allergieeën in het algemeen of staart- en maneneczeem in het bijzonder.

 Al met al is staart- en maneneczeem een vervelende ziekte. Indien de pony of het paard deze allergie vorm heeft ontwikkeld dan komt het dier hier nooit meer vanaf. Over het algemeen is, met aanpassingen van het stalmanagement en het gebruik van bedekkende vliegendekens, met staart- en maneneczeem goed te leven.
 
Erfelijkheid
Aangezien de aandoening voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door specifieke erfelijke eigenschappen van de pony of het paard moet er eigenlijk niet met deze dieren worden gefokt. Zo worden deze eigenschappen niet doorgegeven aan de nakomelingen.

Rhinopneumonie paard



Wat is rhinopneumonie?
Rhinopneumonie is een virusziekte bij het paard die drie verschijningsvormen kent:

• verkoudheidsvorm
• abortus-vorm (besmettelijk verwerpen)
• neurologische-vorm

De verkoudheidsvorm komt zeer regelmatig voor vooral bij jonge paarden. Deze vorm veroorzaakt koorts en soms een snotneus, hoesten en/of dikke benen. De abortus-vorm komt regelmatig voor bij merries en veroorzaakt abortus of zeer zwak geboren veulens die vaak sterven. De neurologische-vorm komt slechts incidenteel voor en veroorzaakt verschijnselen van het zenuwstelsel. Dit begint meestal met een wat slappe staart en ataxie (¨lopen als een dronkeman¨). Eventueel kunnen ernstiger verlammingsverschijnselen optreden. Meestal zijn alleen de achterbenen aangetast, maar in de ernstigste gevallen kunnen ook de voorbenen meedoen. Alle paarden in Nederland komen regelmatig met het rhinopneumonie-virus in contact. Het is helaas niet bekend waarom een bedrijf soms getroffen wordt door abortussen of verlammingsproblemen.

Behandeling
Voor rhinopneumonie is geen specifieke therapie. In het geval van de verkoudheidsvorm is dat geen probleem omdat de paarden doorgaans snel herstellen, net zoals de mens in het geval van een verkoudheid. De abortus-vorm veroorzaakt de dood van de vrucht of van het ernstig ziek geboren veulen, maar geeft geen echte ziekteverschijnselen bij de merrie. Voor het veulen is behandeling niet mogelijk en voor de merrie meestal niet nodig. In het geval van de neurologische-vorm is er geen echte therapie, maar paarden met de neurologische-vorm hebben wel intensieve verpleging nodig. Met een goede verzorging kunnen deze paarden gedeeltelijk of volledig herstellen. De belangrijkste punten van de verzorging/behandeling zijn:
• voorkomen dat het paard, als hij zich niet meer staande kan houden, in paniek raakt en gaat liggen ¨vechten¨ en zich zelf ernstig beschadigt.
• voorkomen dat de blaas overrekt wordt De zenuwaandoening van de achterhand begint met een gedeeltelijke blaasverlamming en dit heeft o.a. tot gevolg dat het paard geen plasdrang meer heeft. Het is dus van belang zonodig de blaas te katheteriseren (de dierenarts brengt dan via de vagina of via de penis een slangetje in de blaas waardoor de urine kan afvloeien).
• zorgen dat het paard voldoende vocht en voedsel binnen krijgt.

Preventie
In hoeverre het mogelijk is paarden preventief te beschermen tegen rhinopneumonie hangt af van de vorm. Een vaccinatie tegen de verkoudheidsvorm is redelijk betrouwbaar, maar moet tenminste tweemaal per jaar worden gegeven. Een vaccinatie tegen de abortusvorm is veel minder betrouwbaar en dient tenminste vier maal per jaar te worden gegeven. Ondanks vaccineren kunnen er op een bedrijf toch merries aborteren. De vaccinatie biedt dus geen volledige bescherming tegen abortus. Tegen de neurologische vorm van rhinopneumonie is vaccineren waarschijnlijk niet effectief. Wel kan vaccineren van een gehele stal het rondgaan van het virus verminderen. In het geval dat er al een besmetting aanwezig is, is vaccineren sterk af te raden.

Verspreiding
De verspreiding van het rhinopneumonie-virus (ook wel equine herpesvirus genaamd) vindt voornamelijk plaats door direct contact tussen paarden of door samen stallen in één ruimte. In principe kan het virus ook door de mens via kleren en handen worden overgedragen als deze van het ene naar het andere paard gaat. Door goed douchen en schone kleren en schoenen kan deze vorm van overbrengen worden uitgesloten. Het passeren van paarden op straat of in het bos is dus geen mogelijke bron van besmetting als direct contact wordt voorkomen. Een bedrijf dat een (mogelijk) probleem heeft doorgemaakt dient twee weken na de laatste koortsaanval contacten met andere paarden te vermijden.

Wedstrijden
De besmettingskans van een paard dat een buitenwedstrijd bezoekt, tussen de activiteiten op de eigen veewagen of trailer blijft staan en niet in direct contact komt met andere paarden wordt uiterst gering geacht. Veel paarden dicht bij elkaar bij een binnenwedstrijd verhoogt het risico op infectie omdat het virus zich ook over korte afstand via de lucht kan verspreiden in kleine ruimtes. Het stallen van een paard bij vreemde paarden brengt relatief het grootste risico met zich mee. Stress (vervoer, wedstrijden etc.) doet bij besmette paarden de kans op neurologische symptomen waarschijnlijk toenemen. Het is daarom aanbevelenswaardig paarden eenmaal daags te temperaturen en bij een koortspiek stress en echte inspanning enkele weken zoveel mogelijk te vermijden.

Ezels
Ezels kunnen wel Rhinopneumonie krijgen, maar ze zijn gevoelig voor een ander serotype dan het paard. Het rhinopneumonie-virus (Equine Herpes Virus) bestaat in 8 soorten, die genummerd zijn van EHV 1 t/m 8. Het paard is gevoelig voor serotype 1 t/m 5, de ezel voor serotype 6 t/m 8.

Dit betekent dus, dat paarden en ezels dit virus niet van elkaar kunnen overnemen. Dit betekent ook, dat, omdat er veel meer paarden dan ezels in dit land leven, de serotypes waar de ezel gevoelig voor is, weinig voorkomen.
Ezels lopen dus hier in Nederland een kleiner risico op het krijgen van de ziekte.

Luchtwegaandoeningen paard



Ieder paard hoest wel eens. Voor de eigenaar is het vaak moeilijk te bepalen wanneer het om een onschuldige hoest gaat en wanneer de dierenarts gebeld moet worden.

De luchtwegen van het paard worden onderverdeeld in de voorste luchtwegen: neusgangen en luchtpijp, en de achterste luchtwegen: bronchiën en longblaasjes in de longen. Als een paard hoest, komt dat door irritatie van de luchtwegen. De meeste oorzaken van het hoesten zijn van allergische aard of chemisch van oorsprong, en meestal ontstaat door inademen van (stof)deeltjes die de luchtwegen direct irriteren, of door beschadiging van het luchtwegslijmvlies door infecties met bacteriën of virussen. Een gezond paard hoest niet en heeft in rust een ademhalingsfrequentie van acht tot veertien keer per minuut en geen neusuitvloeiing, behalve misschien wat waterig vocht. De lichaamstemperatuur mag niet hoger dan 38 graden Celcius zijn.
Een paard met luchtwegproblemen kan gaan hoesten, sneller dan normaal gaan ademen, pompende bewegingen met borst en buik maken en/of een witte tot groene uitvloeiing uit de neus hebben. Daarbij kan ook het uithoudingsvermogen verminderd zijn. De lichaamstemperatuur kan verhoogd zijn.

Vooral stof speelt een belangrijke rol als oorzaak van hoesten bij paarden:
• goede ventilatie in de stal is een must
• voorkom tocht
• regelmatig,liefst dagelijks uitmesten.
• voer goede kwaliteit voordroogkuil of (natgemaakt) hooi

Chronische bronchitis en astma
Veruit de belangrijkste klacht met betrekking tot de luchtwegen bij paarden in Nederland is chronisch hoesten ten gevolge van chronische bronchitis of astma. Deze aandoeningen worden gekenmerkt door een ontstekingsreactie in de luchtwegen waardoor zich slijm vormt in de luchtpijp en de bronchiën. Hierdoor kan het paard gaan hoesten en door het slijm in de longen wordt het uithoudingsvermogen verminderd.
Bij astma is er een ontsteking van de luchtwegen door overgevoeligheid voor stof uit hooi of stro. Hierin komen nogal eens schimmels en bacteriën voor, die allergieën kunnen veroorzaken. Veel paarden blijken zo’n allergie te hebben. Naast de luchtwegontsteking ontstaat er ook een vernauwing van de kleinere luchtwegen. Chronische bronchitis kan het gevolg zijn van een ‘normale’ luchtweginfectie, veroorzaakt door een virus (bijvoorbeeld influenza) of een bacterie. Doordat er bij bronchitis, net als bij astma veel slijm wordt gevormd en dit slijm de luchtwegen irriteert, houdt de ontstekingsreactie zichzelf in stand. Een ontsteking die langer dan enkele weken duurt, wordt chronisch genoemd.

Emfyseem
Een paard dat lijdt aan een chronische bronchitis en dus een overmaat aan slijm in de longen heeft, moet meer moeite doen om voldoende lucht in de longen te krijgen. Met elke ademhaling zal het paard er nog wel in slagen voldoende lucht in de longblaasjes te zuigen, (met zichtbare, zware ademhalingsbewegingen) maar bij de uitademing, die normaal gesproken zonder extra inspanning plaatsvindt, gaat er iets mis. Doordat de uitgang van de longblaasjes door slijm geblokkeerd is, wordt er bij elke ademhaling meer lucht in de longblaasjes geperst, dan er met de uitademing uit kan stromen. Hierdoor raken de longblaasjes overvuld en kunnen ze uiteindelijk knappen. Als er veel longblaasjes stuk zijn, wordt de functie van de longen aanzienlijk minder. Kapotte longblaasjes herstellen nooit meer. Bij een long waarin al meerdere longblaasjes zijn geknapt spreken we van longemfyseem. Paarden die ernstig aan longemfyseem lijden, worden ‘dampig’ genoemd. Een dampig paard is te herkennen aan een slecht uithoudingsvermogen door een verminderde longfunctie, heftig pompende ademhalingsbewegingen en vaak hoesten door geïrriteerde keel en luchtwegen. Op sommige momenten ontstaat er neusuitvloeiing, doordat de overmaat aan slijm uit de longen wordt afgevoerd via de neus.

Tijdig uw dierenarts waarschuwen kan belangrijk zijn om te voorkomen dat uw paard dampig wordt. Maak altijd de voorgeschreven kuur met medicamenten af!

Ziek paard
Als een paard koorts heeft, neusuitvloeiing vertoont en ‘nergens meer zin in heeft’, is het belangrijk de dierenarts te laten beoordelen wat de ernst van de ziekte is en welke therapie ingesteld moet worden. Als uw paard ‘slechts’ enkele malen hoest, maar verder geen ernstige ziekteverschijnselen vertoont, is het ook verstandig uw dierenarts te raadplegen. Dit hoesten kan namelijk al een teken zijn van een chronische luchtwegaandoening. Hoesten is immers altijd een reactie op irritatie van de luchtwegen. In alle gevallen is het belangrijk om een paard dat benauwd is, de nodige rust te geven, om het gevaar van longemfyseem te voorkomen. Niet altijd wordt hiermee alleen boxrust bedoeld.
In sommige gevallen is een kuur met bepaalde medicijnen voldoende om het probleem op te lossen. In andere gevallen kan uitgebreider onderzoek nodig zijn om de oorzaak van de luchtwegaandoening vast te stellen en om na te gaan in hoeverre de longen eventueel al zijn aangetast.

Onderzoek
Om te weten te komen hoe de situatie in de luchtwegen is kunnen de volgende onderzoeken verricht worden:
1. een longfunctiemeting: vooral van belang om te voorspellen wat de prognose voor een paard met een longaandoening is.
2. een longspoeling: hiermee wordt de mogelijke oorzaak van de ontsteking vastgesteld.
3. een bronchoscopie: met een camera wordt het slijmvlies en de hoeveelheid slijm in de luchtwegen bekeken.

Voorkómen
Naast het geven van medicijnen kunt u zelf ook vaak veel verbeteren aan de omstandigheden waaronder het paard gehouden wordt. Stof is een algemene oorzaak van luchtwegproblemen.
Er zijn verschillende maatregelen die u kunt treffen om de hoeveelheid stof in de omgeving van uw paard te verminderen:
• Hooi goed nat maken of liever voordroogkuil voeren.
• Opstallen in een buitenbox (bovendeur open) en zoveel mogelijk weidegang met frisse lucht geven.
• Geen stro gebruiken als bodembedekker, maar overgaan op houtkrullen, vlasvezels of papiersnippers.
• Zorgen voor een zeer goede ventilatie in de stal en de stal vaak uitmesten om ammoniakdampen te voorkomen.

Andere maatregelen om luchtwegaandoeningen te voorkomen: .
• Tocht dient te allen tijde vermeden te worden.vermijden. Dit geldt in nog belangrijkere mate voor natte, bezwete paarden, die in een tochtstroom vatbaarder zijn voor infecties.
• Regelmatig (eventueel twee keer per jaar) inenten tegen influenza. Ook andere paarden op stal dienen te worden gevaccineerd. Hierdoor wordt de infectiedruk verlaagd.

Een paard dat geen koorts heeft, maar behandeld wordt voor een chronisch luchtwegprobleem, mag lichte arbeid verrichten om het slijm in de longen los te maken.

Genezen
De behandeling van een paard met een luchtwegaandoening, is sterk afhankelijk van de oorzaak van de aandoening. Als eenmaal de oorzaak voldoende is vastgesteld, zal uw dierenarts een therapie voorschrijven met passende medicijnen. Als er een kuur gedurende meerdere dagen of weken wordt voorgeschreven, is het belangrijk dat er geen dag wordt overgeslagen. Dit zou de werking van de medicijnen verminderen of zelfs teniet doen.
Er zijn verschillende medicijnen die gebruikt kunnen worden om uw paard met luchtwegproblemen te behandelen.

Inhalatie-medicatie
Er zijn voor paarden speciale neusmaskers, die een houder bevatten voor verstuivers van luchtwegmedicijnen (vergelijk de ‘puff-apparaten’ voor humaan gebruik). Als een paard hieraan gewend is, kan dit een zeer efficiënte manier zijn voor het toedienen van medicijnen in de luchtwegen.

*Antibiotica
Welk antibioticum voorgeschreven wordt, hangt onder andere af van de gevoeligheid van de bacterie die meespeelt in de infectie.

*Slijmoplossende middelen
Clenbuterol (Ventipulmin®)
Dit middel zorgt ervoor dat de luchtwegen zich verwijden en het slijm in de luchtwegen verdund wordt en gemakkelijker wordt afgevoerd. Het paard zal hierdoor beter kunnen ademen; de neusuitvloeiing en het hoesten verminderen. Ook heeft clenbuterol een anti-allergische en ontstekingsremmende werking, welke gunstig is bij paarden met overgevoeligheid voor stof en schimmelsporen. Clenbuterol wordt meestal gedurende vier tot zes weken voorgeschreven.

Dembrexine (Sputolysin®)
Dit product verdunt het slijm in de longen, waardoor het beter kan worden opgehoest. Het paard zal dus niet meteen stoppen met hoesten, omdat dit middel de hoest niet onderdrukt. Sputolysin® zorgt er tevens voor dat de kleinste longblaasjes niet dichtklappen, zodat de elasticiteit van de longen niet achteruitgaat en het effect van antibiotica in de longen toeneemt. Slijmoplossers worden meestal voorgeschreven bij acute aandoeningen van de luchtwegen, bijvoorbeeld virale of bacteriële infecties.

*Ontstekingremmende middelen (corticosteroïden)
Deze verminderen in het algemeen ontstekingsreacties, dus ook die in de longen. Deze middelen worden voornamelijk ingezet als een allergie de oorzaak is van de luchtwegproblemen. Tevens versterken corticosteroïden de werking van clenbuterol en gaat het gewenning tegen. Corticosteroïden kunnen wel bijwerkingen veroorzaken, dus gereserveerd gebruik is raadzaam.

*Hoestpoeders
Kruidenmixen en hoestpoeders kunnen ondersteunend ingezet worden. Maar let op, want veel van deze middelen onderdrukken de hoest. Dat is niet goed. Hoesten is namelijk gunstig ,want het zorgt voor het verwijderen van slijm. Een slijmoplosser is dus vaak een betere therapie. Roep bij twijfel altijd de hulp van uw dierenarts in, zodat u direct de juiste aanpak kiest. Alleen dan kunt u blijvende schade voorkomen.

Tot slot
Uit voorgaande blijkt wel dat de behandeling van paarden die hoesten, zeer verschillend kan zijn. De belangrijkste verschillen in de behandeling liggen in de oorzaak en de mate waarin de ziekte chronisch is geworden. Besteed daarom altijd veel aandacht aan de omstandigheden waaronder het paard gehouden wordt.

Koliek paard



Inleiding
Wanneer een paard buikpijn heeft spreken we van koliek. Soms leidt koliek tot de dood van het paard, maar gelukkig kan koliek meestal goed behandeld worden.
De verschijnselen kunnen, afhankelijk van de oorzaak en de duur van de koliek, het ras, het karakter en de leeftijd zijn:
• Krabben met voorbeen
• Uitrekken en flemen (omhoog steken van de bovenlip)
• Onrust
• Afwisselend liggen* en staan
• Naar de flanken kijken, trappen en bijten
• Rollen
• Snelle ademhaling en soms kreunen
• Op rug blijven liggen
• Zweten
• Plotseling rustig, sloom en uitputting

*Het gaan liggen van een paard dat koliek heeft is op zich zelf nog niet zo erg. Maar let op dat het paard zich bij het rollen niet verwondt aan voerbakken, hekwerk en dergelijke.

Wat is koliek
Vaak is de oorzaak van koliek een onschuldige kramp, soms echter komen de koliekverschijnselen door een verdraaiing of verstopping van de darm. Hierdoor ontstaat er een gestoorde bloedcirculatie in die darm die vervolgens door zuurstoftekort niet meer goed kan functioneren. Darminhoud lekt dan al binnen enkele uren naar de buikholte: dit betekent een zeer slechte prognose.
Bij een ernstige koliek raakt de maag overvuld met als gevolg dat deze kan barsten (paard kan niet overgeven!). Dit is soms te zien door iets groene uitvloeiing uit de neus. Bij verdenking wordt het dier gesondeerd met een maagsonde.
Ook is er kans op shock wat alleen met vocht-infusen is te verhelpen.
Bij elke koliek, en ook bij een krampkoliek, is een snelle pijnstilling heel belangrijk, want een paard gaat dan niet meer rollen en heeft dus minder kans op verdraaiingen van de darmen.

Oorzaken van koliek
Er zijn zeer veel oorzaken van koliek. Enkele zijn:

Wormen (een juiste en regelmatige ontworming kan heel veel gevallen van koliek voorkómen!), verstoppingen (obstipatie), zandophopingen, meteorismus (gasvorming in de darmen), vergroeiingen, invaginaties (darmen die in elkaar zijn geschoven), liggingsveranderingen, darmontstekingen, verlammingen van de darm, darmscheuren, afklemming in hernia’s (bijvoorbeeld navelbreuk), buikvliesontsteking en aangeboren afwijkingen.

Aan de buitenkant van een paard is nooit te zien welke vorm van koliek er speelt. Na onderzoek van de dierenarts is hier meestal meer over te zeggen.

Wat doet de dierenarts
Als de dierenarts bij een paard met koliek geroepen worden, wil hij/zij het volgende graag weten:
• Hoelang heeft het paard al koliek
• Is de buikomvang toegenomen
• Komt er nog steeds mest of wind af
• Wanneer is het paard voor het laats ontwormd
• Op wat voor strooisel staat het paard
• Wat is het rantsoen, zijn er nog rantsoenwisselingen geweest
• Wat voor werk heeft het paard pas gedaan
• Betreft het een merrie (drachtig?), hengst of een ruin
• Al eerder koliek gehad en hoe is dat verlopen

Hierna zal de dierenarts het paard algemeen onderzoeken. Hij let daarbij o.a. op de volgende zaken:
• Is het paard lusteloos of juist heel actief
• Hartfrequentie (zegt wat over de ernst)
• Temperatuur
• Zweten
• Kleur van de slijmvliezen
• Auscultatie (beluisteren) van de buik: darmgeluiden, gas, buikspanning
Bovenstaande gegevens geeft de dierenarts een indruk omtrent de ernst van de koliek.

Eventueel kan dit onderzoek aangevuld worden met:
• Rectaal onderzoek (darmonderzoek)
• Bloedonderzoek
• Leeghevelen overvulde maag
• Buikpunctie

Behandeling van koliek
Bij een minder ernstige koliek wordt meestal een pijnstiller/darmontspanner in de bloedbaan gespoten.
Soms wordt het paard ook via een neussonde gelaxeerd met paraffine. Na behandeling is het belangrijk om het paard te laten vasten!

Als niets helpt...
Bij ernstige koliek (darmdraaiingen, etc.) en in gevallen waarbij pijnstilling, darmontspanning en laxeren niet of onvoldoende helpt, wordt het paard doorverwezen naar een specialistische paardenkliniek in onze regio. Overleg hier al over met uw dierenarts wanneer hij/zij voor de eerste keer uw paard heeft behandeld tegen koliek, zodat u geen overhaaste beslissing hoeft te nemen als de koliek enkele uren later onverhoopt toch weer terugkomt.
In een aantal gevallen zal het dier moeten worden geopereerd en die kosten zijn niet gering!

Hoefbevangenheid paard




Een ernstig probleem!
In het voorjaar en begin van de zomer zien we veel hoefbevangen paarden en pony's. Waar moet u op letten en hoe kunt u het voorkomen.

Wat is hoefbevangenheid?
Hoefbevangenheid is een stofwisselingsstoornis die leidt tot vochtuittreding ter hoogte van de lederhuid van de hoef. Dat vocht zit gevangen tussen het 'leven" en het hoorn van de hoef en kan nergens heen. Dit veroorzaakt een heftige pijn. (U kunt dit vergelijken met een blaar onder uw vingernagel, stelt u zich voor dat u daar op moet lopen!)

Waardoor kan hoefbevangenheid worden veroorzaakt?
1. Hoefbevangenheid kan worden veroorzaakt door een overmaat aan voer. Dit kan een overmaat aan eiwit zijn, maar nog veel vaker is een overmaat aan koolhydraten (suikers, zetmeel) de boosdoener. In vers voorjaarsgras zitten zowel veel eiwitten als suikers.
2. Ook plotselinge rantsoenwijzigingen kunnen leiden tot hoefbevangenheid door de verstoring die zij geven op dikke darm niveau.
3. Als derde is het ook mogelijk dat het paard letterlijk blaren loopt door een (relatieve) overbelasting. Bijvoorbeeld op harde ondergrond langdurig draven en galopperen. Ook hiervan kan een paard hoefbevangen worden.
4. Ontstekingen in het lichaam kunnen leiden tot hoefbevangenheid. Denkt u bijvoorbeeld aan een merrie die aan de nageboorte blijft staan.
5. Er zijn ook medicijnen die hoefbevangenheid kunnen veroorzaken.

Wanneer loopt uw paard of pony meer risico?
De conditie van uw paard of pony is een van de belangrijkste factoren die de gevoeligheid van een paard voor hoefbevangenheid bepaalt. Met conditie bedoelen wij de hoeveelheid vet die het paard heeft en dus niet het uithoudingsvermogen. Een paard of pony is in goede (optimale) conditie, wanneer u de ribben van het paard niet kunt zien, maar wel makkelijk kunt voelen. Wanneer u diep moet graven om de ribben te voelen is uw paard te dik.

Welke paardenrassen lopen meer risico?
Trekpaarden, Fjordenpaarden, Haflingers, Shetlanders, koudbloedige paardenrassen lopen meer risico. Over het algemeen zijn het dieren die met weinig voedsel toekunnen (sober zijn) en dus gauw te dik worden. Vooral bij shetlanders is de te vette conditie ook nog te wijten aan een gebrek aan beweging. (Zijn werken nooit en eten bijna continu!)

Waaraan herkent u hoefbevangenheid?
Een paard met hoefbevangheid wil niet meer van zijn of haar plek. Staat meestal met beide voorbenen voor zich uitgestrekt, zodat het meeste gewicht op de achterhand leunt. Bij stappen loopt het dier alsof het op eieren loopt. Heel voorzichtig en heel pijnlijk. Sommige dieren gaan heel veel liggen.

Hoefbevangenheid is een spoedgeval!
Hoe eerder een paard met hoefbevangheid op de juiste manier behandeld wordt hoe minder de kans op ernstige complicaties. Een ernstige complicatie is bijvoorbeeld het kantelen of zakken van het hoefbeen.
Hoefbevangen paarden mogen niet worden afgestapt, maar moeten onmiddelijk stil gezet worden. Het liefst op zachte ondergrond, zodat het paard uitgenodigd wordt te gaan liggen.
Het voer moet direct geminimaliseerd worden. (Geen krachtvoer, geen vers gras) Alleen weidehooi! Vervolgens is het belangrijk dat het dier snel pijnstilling krijgt en een middel dat de bloedsomloop in de ondervoeten bevordert. Het koelen van de hoeven is ook prettig voor hoefbevangen paarden. 2 Tot 3 keer daags de hoeven koud afdouchen.

Droes paard




Droes is een besmettelijke ziekte die alleen voorkomt bij paarden, ezels en muildierenwordt veroorzaakt door de bacterie Streptococcus equi. Droes kan voorkomen bij paarden en pony’s van elke leeftijd en elk ras. Oudere dieren hebben doorgaans een zeer goede weerstand na infecties.

Het meeste risico lopen jonge paarden, paarden die worden gehouden in grote aantallen en in aanraking komen met andere paarden en paarden die veel op concoursen en shows komen.

Droes is pijnlijk, moeilijk te behandelen en kan voorkomen bij paarden die er, op het eerste gezicht, volkomen gezond uitzien (circa 10% van de paarden die herstellen, blijft drager). Daarom is het noodzakelijk contact met andere paarden zoveel mogelijk te vermijden.

Binnen een stal of erf kan droes zich snel verspreiden door direct contact tussen paarden of door indirect contact, bijvoorbeeld door gezamenlijke drink- en voederbakken of via zadels en tuig, kleding en schoeisel.

Symptomen
3-14 dagen nadat het paard besmet is geraakt, kunnen de eerste verschijnselen optreden. Het dier heeft koorts (een normale temperatuur van het paard is niet hoger dan 38 C!) wat wel kan oplopen tot 41 C, is sloom, eet niet.
Andere verschijnselen zijn: neusuitvloeiing (eerst slijmerig, later etterig), speekselen, moeilijk slikken waardoor er voedsel via de neus terugkomt, pijnlijk hoesten. Soms staan de paarden met een gestrekte hals en hebben ze een te volle keelstreek.
De lymfeklieren aan het hoofd zijn verdikt en pijnlijk en soms hoor je de paarden snurken doordat de gezwollen lymfeklieren de keel dicht drukken. Soms dreigen ze zelfs te stikken.

Na 7-14 dagen breken de ontstoken lymfeklieren meestal door naar de keelholte, waarbij een etterige neusuitvloeiing kan worden gezien. In de voerbak ligt dan pus. De doorbraak kan ook naar buiten plaatsvinden of naar de luchtzakken. In het laatste geval kan er een luchtzakontsteking ontstaan.
Na het doorbreken is de zwelling in de keelstreek minder en de lichaamstemperatuur daalt weer.

 Soms zijn de klinische verschijnselen zo duidelijk dat de dierenarts gemakkelijk de diagnose kan stellen. Dit is echter niet altijd het geval en soms moeten er neusswabs genomen worden voor verder onderzoek. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de diagnose van een dierenarts altijd noodzakelijk is, aangezien een paard dat een aantal van de bovengenoemde symptomen vertoont ook een andere aandoening kan hebben.

Vormen van droes
Keeldroes.
Dit is de meest voorkomende vorm en is een etterige ontsteking van de keel en de keellymfeklieren aan het hoofd.
Kooierdroes
Als alleen de lymfeklieren tussen de kaaktakken ontstoken raken.
Verslagen droes
Dit is de meest ernstige vorm: hierbij ontstaan abcessen in organen of in de lymfeklieren van de borst- of buikholte van het paard. Wanneer een dier niet herstelt na het doorbreken van de lymfeklieren bij keeldroes, de koorts aanhoudt en de conditie achteruit gaat, kan de dierenarts vaststellen of er sprake is van verslagen droes.

Wanneer een veulen droes heeft, kan bij de merrie een melkklier-ontsteking (mastitis) veroorzaken, waarbij abcessen in het uier kunnen ontstaan.

Het verloop van keel- en kooierdroes is meestal goedaardig.

Behandeling
Indien de diagnose tijdig wordt gesteld (er is nog geen lymfeklierzwelling aanwezig) kan droes worden behandeld met antibiotica, maar vaak is het onverstandig om antibiotica te gebruiken omdat dit de rijping van de abcessen verhindert.
Het is juist belangrijk om de abcessen zo snel mogelijk te laten rijpen en dit kan worden bevorderd door de klieren na het wegscheren van het haar te smeren met bepaalde zalven.
Soms moet de dierenarts deze opensnijden om pus te verwijderen.
Zijn de klieren eenmaal doorgebroken of geopend, dan moeten deze zo lang mogelijk open blijven, omdat anders een nieuw abces kan ontstaan. Meerdere malen daags spoelen met desinfecterende vloeistoffen is dan belangrijk.

Zoals reeds eerder is genoemd, moet de temperatuur binnen 48 uur na het doorbreken van de lymfeklieren dalen, anders is de kans groot dat zich elders in het lichaam abcessen hebben gevormd (verslagen droes). Paarden met verslagen droes herstellen zelden volledig.

Indien het paard geen vast voedsel wil eten, kan dunnen slobber worden gegeven. Zorg ook voor voldoende fris drinkwater om te voorkomen dat het dier uitdroogt. Als de klieren zijn doorgebroken kan men het paard het beste van de vloer laten eten, zodat de pus makkelijk kan afvloeien.

Quarantaine
Als het eerste geval van droes wordt geconstateerd, lopen alle andere paarden in de stal een groot risico.

• Het besmette paard moet van de andere paarden worden geïsoleerd.

• Er mogen geen nieuwe paarden in de stal worden toegelaten.

• Alle andere paarden in de stal moeten nauwkeurig in de gaten worden gehouden om nieuwe gevallen van droes zo snel mogelijk vast te stellen.

• Personen die regelmatig in contact komen met paarden buiten de stal moeten zoveel mogelijk wegblijven van de besmette stal. Verzorgers van zieke paarden moeten aparte kleding en schoeisel dragen en na elk contact met het paard hun handen wassen.

In de praktijk betekent dit dat de stal min of meer gesloten wordt. Helaas kan deze situatie soms wel maanden duren.

Preventie
Verscheidene maatregelen kunnen worden genomen om droes zoveel mogelijk te beperken:
• Probeer contact met andere paarden zoveel mogelijk te vermijden.
• Zorg dat de stal niet overvol wordt.
• Houd nieuwe paarden eerst enkele weken in quarantaine.
• Wanneer droes is vastgesteld op een bedrijf, is het verstandig om de nog gezonde paarden dagelijks te temperaturen.
• Een vaccin om droes te voorkomen is nu beschikbaar: Equilis StrepE. Deze vaccinatie kan worden toegepast vanaf een leeftijd van 4 maanden. Het vaccin wordt toegediend door injectie van een kleine dosis in de bovenlip (zie foto).

Geboorte van het veulen



In het voorjaar en in de zomer kunt u veel merries met veulens in de weides zien.
Een merrie wordt ‘hengstig’ in het voorjaar en zomer, dus wanneer de dagen langer worden, de zon meer gaat schijnen en het gras gaat groeien. In een hengstigheid (oestrus) kunnen ze worden gedekt of geinsemineerd. Tel je daar een gemiddelde draagtijd bij op van 11 maanden dan zullen dus vooral in het voorjaar en begin van de zomer veulens worden geboren.

Inseminatie
De meeste merries in Nederland worden door middel van kunstmatige inseminatie drachtig. Dagelijks worden de eierstokken en baarmoeder van hengstige merries met behulp van echografie door de dierenarts onderzocht. Aan de hand van die bevindingen wordt bepaald op welk tijdstip de merrie moet worden geinsemineerd en ook of ze eventueel met medicijnen moet worden behandeld. De hengstenhouder verzamelt met een kunstschede het sperma bij de hengst en dit wordt, na nogal wat bewerkingen in het laboratorium, verdeeld over het aantal merries wat die dag moet worden geinsemineerd. Na ongeveer 15 dagen kan de dierenarts met de echo al vaststellen of de merrie drachtig is.

Voortekenen van een geboorte
Ook voor ervaren fokkers blijft het moeilijk om het juiste moment van de bevalling te voorspellen. De verhalen van mensen die vele weken in de stal bij hun paard slapen zijn geen uitzondering. Sommigen zijn even in huis gegaan om de krant te gaan lezen, komen na tien minuten terug in de stal en worden verrast door een zojuist geboren veulen. De meeste paarden stellen dit moment uit totdat er absolute rust heerst op stal en zij het minst kans lopen om gestoord te worden.

De geboorte
Het eerste teken van een naderende is dat het uier groter wordt; er komt melk in en op de punten van de tepels verschijnen de zogenaamde ‘harsdoppen’. Men noemt dit ook wel ‘kegelen’. Maar dat kan soms al vele dagen voor de geboorte beginnen. Zweten, rondlopen, liggen en weer opstaan, kijken naar de buik, een plashouding aannemen: het zijn allemaal tekenen dat de geboorte is begonnen.

Het eigenlijke veulenen gebeurt in drie fasen:
1. De contractie-fase. In deze fase begint de baarmoeder samen te trekken onder invloed van het hormoon oxytocine. Dit hormoon wordt ook bij de vrouw gebruikt om een geboorte in te leiden.
Door dat samentrekken van de baarmoeder zal het veulen, dat gedurende de dracht op de rug ligt als in een hangmat, gaan draaien en tegen de baarmoederhals aankomen, waardoor deze gaat ontsluiten. De merrie is rusteloos en kijkt veel naar de flanken.

2. De uitdrijvingsfase
Als de baarmoedermond open gaat komt de waterblaas in het geboortekanaal en zorgt voor meer oprekking. Door druk in de vagina zal deze waterblaas knappen. De merrie gaat nu liever liggen omdat er vruchtdelen (benen, hoofd) in de geboorteweg komen. Als ze ligt kan ze trouwens ook beter mee persen.
De geboorte verloopt nu doorgaans heel snel en heftig. Het is belangrijk dat het veulen in de juiste ligging wordt geboren: eerst de beide voorbenen en dan het hoofdje. Als de geboorte normaal verloopt, en meestal is dat binnen een kwartier gebeurd, zie je dat de achterbenen soms nog in de merrie blijven zitten terwijl de navelstreng nog vast zit. Er stroomt nog steeds bloed van de merrie naar het veulen. Zodra de merrie gaat staan breekt de navelstreng. De merrie gaat het veulen drooglikken en zal snel proberen het veulen te doen staan. Het is altijd wonderlijk te zien dat een veulen vrijwel onmiddellijk na de geboorte al kan staan.

3. De uitdrijving van de nageboorte
Gewoonlijk wordt binnen drie uur na de geboorte van het veulen de nageboorte afgedreven. Het is belangrijk dat er geen stukjes blijven zitten omdat de merrie dan ernstig ziek kan worden. Zo’n nageboorte ziet er uit als een maillot met dichtgebonden pijpen.

Na de geboorte is het verstandig merrie en veulen met rust te laten, zodat ze aan elkaar kunnen wennen. Zodra het veulen staat zal het melk gaan drinken. En dat laatste is een stressvolle dagtaak voor het veulen: minstens 50 keer per dag zoekt het veulen naar het uier van de merrie om er te gaan drinken.

Gebitsverzorging bij het paard




Het paard is een planteneter (herbivoor), wat zichtbaar is in de opbouw van zijn gebit. Met name de kiezen, die een maalfunctie hebben, zijn sterk ontwikkeld en zijn plat op de kauwvlakte. Dit in tegenstelling tot het gebit van vleeseters (carnivoren), welke puntig en scherp is, bedoeld om vlees klein te knippen. Een paard spendeert relatief veel tijd, tot 16 uur per dag, aan het grazen en fijn malen van zijn voedsel.

Het gebit van een paard bestaat uit de volgende elementen:
Snijtanden (incisivi); hiervan zijn er 3 per kaakhelft:
• de binnentanden
• de middentanden
• de buitentanden
Haak- of hoektanden (canini); deze zijn alleen bij de hengst en ruin aanwezig. Een enkele maal vindt men ze ook bij de merrie.
Melk- of veulenkiezen (premolaren); in aanleg zijn er 4 per kaakhelft aanwezig, echter de eerste premolaar is meestal niet of slechts rudimentair aanwezig en is dan bekend als ¨wolfskiesje¨.
Ware kiezen (molaren); waarvan er 3 per kaakhelft zijn.
Een volwassen paardengebit heeft dus 36 (merrie) tot 40 (hengst) elementen.

Doordat de wisseling en afslijting van tanden en kiezen van een paard een vast patroon volgen, is de leeftijd van een paard met een redelijke betrouwbaarheid te schatten. Het spreekwoord: "Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken" komt hier vandaan.

Bij een veulen van een jaar, waarbij alle tanden en kiezen aanwezig zijn, ontbreken in de tandformule de drie molaren. Veulentanden laten zich van volwassen tanden onderscheiden door hun wittere kleur, hun schopvorm en het ontbreken van een duidelijke groeve aan de lipvlakte van de tand (zie foto boven).

Bij een pas doorgebroken snijtand bevindt zich in de kroon een holte, het infundibulum of de kroonholte. Deze holte zal langzaam verdwijnen door het in slijting komen van de tand. Wanneer ze verdwenen is, noemt men de tand "gevuld". Zijn alle tanden gevuld, dan noemt men een paard "aftands". Het tandsterretje, het aan de wrijfvlakte van de snijtanden zichtbare deel van de wortelholte, wordt vanaf dat moment zichtbaar aan de voorrand van de tand. Onderstaande afbeelding probeert weer te geven wat je op de bovenkant van een snijtand ziet bij de verschillende leeftijden.
Hier kun je meer lezen over het schatten van de leeftijd van een paard.

Hoe herken je problemen met het gebit?
• Paard/pony eet hooi voordat hij aan zijn biks begint
• Paard /pony laat voedsel vallen tijdens het eten
• Paard/pony houdt zijn hoofd schuin tijdens het eten
• Paard/pony maakt proppen van zijn hooi
• Wanneer paard/pony zijn biks verkruimelt
• Wanneer paard/pony vreemde (stinkende) ontlasting heeft
• Wanneer zijn drinkgewoontes veranderen
• Bij gewichtsverlies
• Bij een slechte conditie
• Bij slechte adem uit de neus of mond
• Bij overtollig speekselen
• Bij bloeden uit de mond
• Bij tranende ogen of een lopende neus
• Als het paard gevoelig is bij het betasten van de wang
• Als het moeilijk is om het bit bij je paard in te doen
• Wanneer het paard slechte tot geen aanleuning heeft met het bit
• Wanneer het paard continu zijn hoofd schudt of zijn hoofd kantelt
• Wanneer het paard aan zijn teugels rukt
• Wanneer het paard zijn tong uit zijn mond steekt
• Wanneer het paard steigert en bokt

De hierboven genoemde gebitsafwijkingen moeten door een vakkundige dierenarts worden behandeld.
Een gezond jong paard zonder afwijkingen aan de kaakstand, dat voldoende goed ruwvoer te eten krijgt, behoeft beslist geen ¨halfjaarlijkse controle¨ zoals bij de mens te doen gebruikelijk is. Wanneer het paard echter symptomen vertoont zoals hierboven beschreven en/of op hogere leeftijd komt, dan is het verstandig de mond grondig te laten inspecteren en eventueel te laten behandelen.

Castratie van de hengst


Inleiding
In Nederland worden jaarlijks vele tienduizenden veulens geboren. Ongeveer de helft daarvan is van het mannelijk geslacht. Slechts een klein gedeelte van deze dieren krijgt de kans zich te bewijzen in de fokkerij als dekhengst. Het overgrote deel zal gebruikt worden in de sport of voor recreatieve doeleinden, en hierbij is het voortdurend uiten van hengstengedrag vaak lastig. Dit gedrag wordt veroorzaakt door het mannelijk geslachtshormoon testosteron, dat gemaakt wordt in de testikels (de zaadballen). Het doel van de castratie is daarom niet zozeer het uitschakelen van de zaadproduktie, maar vooral het uitschakelen van de produktie van testosteron. Dit betekent dat beide testikels volledig verwijderd worden.

Foto's van een castratie van de hengst zie je hier.

Wanneer castreren?
Het meest geschikte moment om een hengst te castreren wordt door meerdere factoren bepaald:
Soms is de verwachtingswaarde van de hengst op grond van zijn bloedlijn, exterieur en eigen prestatie zodanig, dat de eigenaar eerst wil afwachten of het dier goedgekeurd wordt als dekhengst.
Door het dier langer hengst te laten, kunnen sommige exterieurkenmerken zich beter ontwikkelen (zwaardere bespiering, meer hals). Wanneer dit een overweging dan wel een wens van de eigenaar is, zal het dier op latere leeftijd (b.v. 3-4 jaar) gecastreerd moeten worden.
Afhankelijk van de gekozen castratiemethode kan ook het seizoen van invloed zijn op het moment van castreren. Dit is vooral van belang wanneer er een castratiemethode gebruikt wordt waarbij de operatiewonden niet gesloten worden. Het voorjaar is dan de beste tijd: de weiden staan vol met gras en het aantal insecten is ten opzichte van de zomer nog gering. Dit betekent dat er voor het paard direct na de castratie een schone omgeving is, waar het dier kan herstellen van de ingreep.
Soms wordt een hengst op erg jonge leeftijd, b.v. als veulen van enkele maanden oud, gecastreerd. De operatie is dan weinig belastend en het veulen herstelt snel. Het dier groeit nadien echter minder goed uit (minder bespierd, minder hals) en zal wat "slungelig" blijven.
In de praktijk komt het erop neer dat de meeste hengsten gecastreerd worden als ze 1–2 jaar oud zijn.

Anatomie
Om de hierna beschreven methoden van castratie goed te kunnen begrijpen, is enige kennis van de anatomie (de bouw) noodzakelijk.
Een testikel bestaat in feite uit de eigenlijke zaad- of teelbal (G), waarin de zaadcellen en het testosteron gemaakt worden, en uit de bijbal (F), waarin de zaadcellen opgeslagen worden en verder rijpen. Bij het ongeboren veulen worden de testikels gevormd in de buikholte. Vlak voor of kort na de geboorte zakken ze door het lieskanaal en komen ze in de lies te liggen, waar op dat moment nog geen duidelijk scrotum (de balzak) (D) aanwezig is. Het scrotum ontwikkelt zich in het eerste levensjaar. Het bestaat uit twee aparte helften, waarin de testikels verder afzakken. De ruimte in het scrotum, waarin de testikels zich bevinden, is eigenlijk een uitbreiding van de buikholte; beide staan met elkaar in open verbinding via het lieskanaal. In het scrotum zijn de testikels omgeven door een uitstulping van het buikvlies (A), de zogenaamde tunica vaginalis (E), die door onderhuids bindweefsel direct verbonden is met de huid van het scrotum (zie tekening boven).

Uit de bijbal komt de zaadleider of zaadbuis, die het zaad verder transporteert. Deze vormt samen met de bloedvaten van de testikel de zaadstreng. De zaadstreng loopt omhoog door het lieskanaal de buikholte in. In het bekken mondt de zaadbuis uit in het begin van de urinebuis, die verder doorloopt in de penis.
Wanneer het uitzakken van één of beide testikels niet goed verloopt, ontstaat er ook geen duidelijk scrotum of een scrotum dat maar uit één helft bestaat. Het dier is dan een klophengst. De testikel(s) ligt/liggen in het lieskanaal of nog in de buikholte.
Omdat goed afgedaalde testikels in een uitbreiding van de buikholte liggen, wordt bij het verwijderen van de testikels in feite dus de buikholte geopend. Dit is een belangrijk gegeven. De castratie is niet zomaar even het wegnemen van de beide ballen. Het is een serieuze operatie, die zorgvuldig en precies moet worden uitgevoerd om complicaties te voorkomen. Sommige complicaties kunnen ernstige gevolgen hebben. Onderschat de ingreep daarom nooit!

Voorbereiding voor de operatie (voor een fotoverslag klik hier)
Voordat we met de castratie kunnen beginnen, moet eerst een zorgvuldig algemeen onderzoek van de hengst gedaan worden. Als bij dit onderzoek relevante afwijkingen worden geconstateerd, zoals temperatuursverhoging, diarree of neusuitvloeiing, moet ernstig overwogen worden om de operatie uit te stellen tot het dier weer volledig gezond is. Het betreft hier immers een keuze-operatie. Dit wil zeggen dat er zelden dwingende redenen zijn om het dier met spoed te opereren. Alleen een beklemde liesbreuk, waarbij een darm in het lieskanaal is gezakt en daarin samen met de zaadstreng bekneld zit, als ook een draaiing of een ontsteking van een testikel, kunnen een reden vormen om zo snel mogelijk te opereren. Bij deze aandoeningen is de betreffende scrotumhelft duidelijk gezwollen, en toont de hengst pijn in de vorm van koliek.

Naast het algemeen onderzoek moet natuurlijk ook speciale aandacht besteed worden aan het operatiegebied zelf. Met name worden het scrotum, de twee testikels en de beide liesopeningen afgetast. We letten er speciaal op dat het lieskanaal niet te wijd is en dat er geen ingewanden in uitpuilen. Ook wordt gecontroleerd of beide testikels wel volledig zijn afgedaald in het scrotum en we niet toevallig met een klophengst te maken hebben.
Als het dier een klophengst blijkt te zijn, moet de castratie door een ervaren chirurg in een kliniek worden uitgevoerd. Laat nooit bij een eenzijdige klophengst de afgedaalde testikel alvast maar verwijderen, om vervolgens af te wachten wanneer de andere alsnog afdaalt. Meestal gebeurt dat laatste toch niet.

De castratie, een keuze uit meerdere methoden
In de loop der jaren zijn er verschillende methoden ontwikkeld om hengsten te castreren. Iedere methode heeft haar eigen voor- en nadelen. Er is niet één bepaalde methode als de beste te bestempelen. De keuze voor een bepaalde methode hangt af van diverse factoren. Belangrijk is of de hengst bij de eigenaar/verzorger thuis gecastreerd wordt dan wel in een kliniek, en als het thuis gebeurt of het dan aan het staande of aan het liggende dier gedaan zal worden. Afhankelijk van de omstandigheden zal er voor een bepaalde methode gekozen worden. De voor- en nadelen en de mogelijke risico's daarvan moeten tevoren met de eigenaar bepraat worden. Ondanks het feit dat de castratie vaak goed verloopt, moet men de risico's ervan toch niet onderschatten.

De castratie onder praktijkomstandigheden
Wanneer de eigenaar kiest voor een castratie onder praktijkomstandigheden, bestaan er daarvoor twee methoden.

De half-bedekte methode
Er wordt een snede gemaakt in de huid van het scrotum en het onderhuidse bindweefsel en in de direct daaronder gelegen uitstulping van het buikvlies, de tunica vaginalis. Deze snede is zo groot dat de gehele testikel gemakkelijk naar buiten gehaald kan worden. Dan wordt de huid met het onderhuidse bindweefsel losgemaakt van de tunica vaginalis en naar boven weggeduwd. De zaadstreng met daaromheen de tunica vaginalis wordt met een speciale kneustang eerst gekneusd en daarna afgebonden met een stevige ligatuur. De testikel wordt verwijderd door de zaadstreng met de tunica vaginalis door te knippen onder de ligatuur. De andere testikel wordt op dezelfde manier verwijderd. De wonden in het scrotum worden niet gehecht maar open gelaten, zodat wondvocht dat na de operatie wordt geproduceerd goed kan afvloeien. Ze groeien na verloop van tijd vanzelf dicht.
Omdat de zaadstreng samen met de daaromheen gelegen tunica vaginalis is afgebonden, bestaat er geen open verbinding meer tussen de buikholte en het scrotum. Ter hoogte van het lieskanaal zit de uitbreiding van de buikholte nu dicht.

Om de half-bedekte methode goed uit te kunnen voeren wordt deze het liefst uitgevoerd aan het liggende dier onder narcose. Het zicht op het operatieveld is dan goed en er kan vlot doorgewerkt worden. Omdat er ook veel schoner gewerkt kan worden is de kans op besmetting met bacteriën klein. Als zich tijdens de operatie onverwachts toch een complicatie voordoet, kan deze efficiënt en professioneel worden opgelost.
Een nadeel van het liggend castreren vormt de algehele narcose. Het paard wordt immers in slaap gebracht en zal daarna ook weer moeten ontwaken en opstaan. Dit vraagt tijd en professionele zorg.

De onbedekte methode
Ook nu wordt via een snede in het scrotum de testikel volledig naar buiten gehaald. Vervolgens wordt alleen de zaadstreng gekneusd en afgebonden. De zaadstreng is daarbij dan dus niet omgeven door de tunica vaginalis; vandaar de naam onbedekte castratie. De zaadstreng wordt daarna doorgeknipt of doorgesneden, zodat de testikel verwijderd kan worden. Ook nu worden de wonden in het scrotum open gelaten.
De onbedekte methode is minder bewerkelijk en gaat daardoor sneller dan de half-bedekte methode. Nog makkelijker gaat het wanneer de zaadstreng niet afgebonden maar alleen gedurende enkele minuten wordt gekneusd, hetgeen in sommige gevallen ook gedaan wordt. Men loopt dan echter de kans dat er een (na)bloeding uit de zaadstrengstomp optreedt. Om een dergelijke (na)bloeding te voorkomen is het veel veiliger om de zaadstreng na het kneuzen ook goed af te binden.

De onbedekte methode is dus eenvoudiger en wordt daarom vaak gebruikt wanneer de hengst staande en onder plaatselijke verdoving gecastreerd wordt. Castreurs doen het vaak op deze manier.
Wanneer een hengst staande gecastreerd wordt, zijn er geen risico's van het neerleggen en weer moeten opstaan van het dier, en evenmin bestaat er een narcoserisico. Het zal ook duidelijk zijn dat het goedkoper is om een hengst staande met een plaatselijke verdoving te laten castreren dan liggend onder narcose.
Echter let op! Na een onbedekte castratie ontstaat er tijdelijk (een aantal dagen) een open verbinding tussen de buikholte en de buitenwereld, omdat het lieskanaal dan nog open is. Het afbinden van de zaadstreng met een ligatuur verandert aan deze situatie niets. Er kunnen door het open lieskanaal bacteriën in de buikholte komen, waardoor een gevaarlijke buikvliesontsteking kan ontstaan. Maar het is ook mogelijk dat darmen via het lieskanaal en de nog open wond in het scrotum naar buiten komen. Wanneer in dat geval niet heel snel deskundig wordt ingegrepen, is dit fataal voor het dier. Het uittreden van darmen is de meest gevreesde complicatie na een onbedekte castratie. De kans dat het gebeurt bedraagt ongeveer 0.8%. Als een eigenaar besluit zijn hengst onbedekt te laten castreren, b.v. omdat dat goedkoper is, moet hij zich wel realiseren dat hij daarbij bewust een risico neemt.

Conclusie
Wanneer de voor- en nadelen van de half-bedekte en onbedekte methode alsmede ook van het staand en liggend castreren tegen elkaar worden afgewogen, moet geconcludeerd worden dat voor de castratie van een hengst onder praktijk-omstandigheden de half-bedekte methode, waarbij de zaadstreng en de tunica vaginalis tesamen met een ligatuur worden afgebonden en die wordt uitgevoerd aan het liggende dier onder narcose, de veiligste methode is.

De castratie in een kliniek
Wanneer een hengst onder praktijkomstandigheden wordt gecastreerd moet er, ondanks een goede voorbereiding en vlot en zorgvuldig werken, toch rekening gehouden worden met een mogelijke besmetting tijdens de operatie. Ook daarom worden de wonden in het scrotum bewust open gelaten. Het wondvocht dat na de castratie in het scrotum ontstaat en mogelijk niet steriel is kan daardoor goed afvloeien, waardoor een ernstige ontsteking in het scrotum ondanks de besmetting hopelijk toch nog voorkomen wordt. Een nadeel van het open laten van de wonden is echter dat er na een goed verlopen operatie naderhand ook nog bacteriën in de wond kunnen komen, waardoor er, zeker als de wond al gedeeltelijk is dichtgegaan, enige dagen later alsnog een wondinfectie kan ontstaan.
Als de castratie in een kliniek wordt uitgevoerd, kan er nog meer aandacht en zorg besteed worden aan de steriliteit. Hierdoor wordt de kans op besmetting tijdens de operatie heel erg klein.
Wanneer een hengst in een kliniek gecastreerd wordt, kan dat heel goed gedaan worden volgens de half-bedekte methode. Omdat de kans op een besmetting tijdens de operatie zo klein is, kan nu echter ook gekozen worden voor een castratie-methode waarbij de operatiewonden niet open gelaten maar dichtgehecht worden. Voordelen daarvan zijn dat de wonden sneller genezen en minder ongemak voor het dier opleveren, en dat er na de operatie geen besmetting van de wond meer mogelijk is.
Er kan nu een keuze gemaakt worden uit een tweetal methodes, die beide worden uitgevoerd aan het liggende dier onder algehele narcose, of er kan gekozen worden voor een zogenaamde laparoscopische castratie, die bijna altijd gedaan wordt aan het staande dier.

De gesloten castratie volgens Müller
Bij deze castratiemethode wordt eerst het scrotum geopend. Nadat de zaadstreng is afgebonden, wordt de testikel verwijderd zonder dat deze bedekt is met tunica vaginalis. Daarna wordt het scrotum weer volledig gesloten door de operatiewonden zorgvuldig te hechten. De kans op complicaties is bij toepassing van deze methode erg klein. Een heel enkele keer kan een zakbreuk ontstaan. Er zakt dan een darm door het lieskanaal in het scrotum, maar omdat het scrotum is dichtgehecht, kan deze darm nooit naar buiten komen. Het dier moet echter wel aan de zakbreuk geopereerd worden. Deze methode moet daarom beslist niet toegepast worden bij een hengst met een wijd lieskanaal.

De gesloten castratie over de lies
Er wordt geen snede gemaakt in het scrotum maar in de lies. Daar wordt dan eerst de zaadstreng opgezocht. Door aan de zaadstreng te trekken wordt de testikel, omgeven door de tunica vaginalis, losgemaakt van de scrotumhuid en naar buiten gebracht. De zaadstreng en tunica vaginalis worden gekneusd, afgebonden met een ligatuur en doorgesneden. De wond in de lies wordt netjes dichtgehecht. Ook nu is de kans op complicaties tijdens en na de ingreep heel erg klein. Een enkele keer ontstaat zwelling van het scrotum door ophoping van wondvocht daarin. Dit trekt meestal vanzelf weer weg.

De laparoscopische castratie
In de afgelopen jaren is er een castratiemethode ontwikkeld, die heel anders verloopt dan de tot nu toe beschreven methoden, omdat daarbij de testikels niet verwijderd worden. Deze methode staat bekend als de laparoscopische castratie.
In feite is dit een kijkoperatie in de buik, zoals die bij de mens erg vaak wordt toegepast o.a. bij galblaasoperaties.
De laparoscopische castratie wordt uitgevoerd aan het staande dier. Er wordt gewerkt met lange smalle instrumenten, die via dunne buizen door de buikwand heen in de buikholte worden gebracht, samen met een instrument waaraan een lampje, lensjes en een camera zitten, waardoor het beeld uiteindelijk zichtbaar gemaakt wordt op een beeldscherm. Daarop kan de chirurg dan precies zien wat hij/zij in de buikholte doet.
Bij deze methode worden in de buikholte de bloedvaten in de zaadstreng afgebonden en wordt de zaadstreng doorgeknipt. Het gevolg daarvan is dat de testikels geen bloed meer krijgen. Ze verschrompelen en maken dan geen zaadcellen en ook geen mannelijk geslachtshormoon meer. Nogmaals: de testikels worden niet verwijderd, maar de hengst wordt wel een echte ruin.
Het voordeel van de laparoscopische castratie is allereerst dat het gedaan wordt aan het staande dier. Er zijn geen risico's van het neerleggen en weer moeten opstaan van het dier en evenmin bestaat er een narcoserisico. De hengst wordt voor de operatie wel rustig gemaakt, maar verder gebeurt de operatie onder plaatselijke verdoving van de buikwand op die plaatsen waar het instrumentarium door de buikwand heen gestoken wordt. Er worden in totaal zes heel kleine wondjes gemaakt, en wel in elke flank drie. Deze wondjes zijn zo klein dat voor de sluiting daarvan volstaan kan worden met één of twee huidhechtinkjes per wondje.
Het dier heeft van een laparoscopische castratie doorgaans minder te lijden dan van een castratie waarbij de testikels verwijderd worden. Het dier zal daardoor ook nog wat sneller van de ingreep herstellen. De kans op het optreden van complicaties is heel erg klein. Een nadeel is dat er na de operatie geen 100% zekerheid bestaat dat beide testikels inderdaad volledig gaan verschrompelen. Bij ongeveer 5% van de gevallen blijven één of beide testikels toch nog geslachtshormoon produceren, waardoor het dier hengstengedrag blijft vertonen. Het is daarom gebruikelijk om één week na de operatie een bloedmonster te nemen en hierin het testosterongehalte te laten bepalen. Als dat te hoog blijft, moeten de beide testikels alsnog operatief verwijderd worden.

Zorg voor de pas geopereerde ruin
Een pas gecastreerde ruin heeft, afhankelijk van de manier waarop hij geopereerd is, wel wat speciale zorg nodig. Zo zal een paard dat onder volledige narcose geweest is enige tijd nodig hebben om te herstellen en weer vast op de benen te staan. Een rustige plek (zonder andere paarden) in een schone box of weide waar het dier zich niet kan bezeren is gewenst in zo’n geval. Voor alle dieren die gecastreerd zijn op zo’n manier dat er een wond is ontstaan geldt dat er altijd controle van de wond moet plaatsvinden. Een manier om wondzwelling voor te zijn is het dier de mogelijkheid te bieden om licht in beweging te blijven, zoals in de weide (een paddock met zand is minder geschikt in verband met vuil dat in de verse wond kan komen). Een paard dat op de “open “ manier gecastreerd is, zal een iets groter risico lopen op nadien uittreden van darmen via de wond (zie: complicaties na de castratie) en moet daar dus gedurende enkele dagen op gecontroleerd blijven worden.
Als geen van de hierna te noemen complicaties optreden zal het dier snel van de operatie herstellen en na enkele dagen alweer lichte arbeid kunnen verrichten.

Complicaties na castratie
Ondanks het grote aantal castraties dat jaarlijks in de praktijk wordt uitgevoerd, zien we gelukkig niet vaak ernstige complicaties optreden. Sommige complicaties hangen samen met het feit dat de wonden in het scrotum open gelaten worden.
De meest voorkomende complicaties zijn:
Zwelling van het scrotum en de koker
Dit is de meest voorkomende maar ook de minst ernstige complicatie. In feite treedt na iedere castratie enige zwelling op, die na enkele dagen vanzelf weer verdwijnt. Teveel zwelling kan worden voorkomen door snel te opereren en de weefsels daarbij zo min mogelijk te beschadigen. Ook is het belangrijk het dier na de castratie voldoende beweging te geven. Het routinematig afspuiten van het scrotum is ongewenst, tenzij er heel veel zwelling optreedt. In dat geval moet ook de dierenarts gewaarschuwd worden om de oorzaak van de sterke zwelling vast te stellen. Meestal zijn één of beide wonden in het scrotum te vroeg dichtgegaan. Het weer openen daarvan is dan vaak voldoende om de zwelling weg te laten trekken.
Ontsteking in het scrotum
Bij deze complicatie speelt behalve snelheid ook de steriliteit tijdens de castratie een belangrijke rol. Als er door besmetting met bacteriën een ontsteking in het scrotum ontstaat, blijft dat veel te dik en komt er pus uit één of beide wonden. Het paard kan er ook ziek van zijn. Deskundige behandeling is dan nodig. De besmetting met bacteriën kan dus tijdens de castratie plaatsvinden, maar het kan ook daarna gebeuren zolang de wonden nog niet geheel gesloten zijn.
Ontsteking van de zaadstrengstomp
Dit is een erg vervelende complicatie. Er heeft zich nu een ontstekingsproces ontwikkeld aan de stomp van de zaadstreng. Ook nu blijft er pus uit één of beide castratiewonden komen. Vaak zal besloten worden om het dier met antibiotica te behandelen. In een aantal gevallen heeft dat succes, maar het kan ook op een teleurstelling uitlopen. In dat geval is een tweede operatie nodig, waarbij de zaadstrengstomp met al het ontstoken weefsel verwijderd wordt. Een dergelijke operatie kan lang duren en technisch lastig zijn, en moet daarom in een kliniek gedaan worden.
Nabloeding
Soms druppelt er nog een tijdje bloed uit de wond. Dit bloed komt dan uit de ingesneden huid of uit het onderhuidse bindweefsel. Dergelijke kleine bloedingen stoppen vanzelf. Wanneer het bloed echter in een straaltje uit de wond loopt, is er sprake van een ernstige bloeding, waarbij het bloed uit de zaadstreng komt. De kans op een zaadstrengbloeding is groter wanneer de zaadstreng alleen maar gekneusd en niet is afgebonden. Maar ook wanneer de zaadstreng is afgebonden kan daaruit toch een enkele keer een bloeding optreden, doordat de ligatuur niet strak genoeg zit of omdat er een knoop is losgegaan. Bij verdenking op een zaadstrengbloeding mag er niet langer worden afgewacht, maar moet het paard zo snel mogelijk naar een kliniek gestuurd worden.
Uittreden van darmen via de wond
Dit is de meest gevreesde complicatie. Gelukkig komt het niet vaak voor. De kans erop is het grootst na een onbedekte castratie of na een half-bedekte castratie waarbij de zaadstreng en tunica vaginalis niet zijn afgebonden. Na een half-bedekte castratie waarbij de zaadstreng en tunica vaginalis wel zijn afgebonden, is de kans op het uittreden van darmen vrijwel nihil.
Wanneer het optreedt, moet er met de grootste spoed deskundig gehandeld worden, anders is de afloop fataal. Het dier moet zo snel mogelijk naar een kliniek gebracht worden, maar voor het transport moeten thuis eerst nog een paar noodzakelijke maatregelen getroffen worden. De dierenarts moet dus echt heel snel komen.
Soms komt er geen darm maar een soort vlies (omentum) uit de wond. Dit is gelukkig minder ernstig, maar de dierenarts moet toch wel direct gewaarschuwd worden.
Mannelijk gedrag na castratie
Dit kan veroorzaakt worden door het niet of onvolledig wegnemen van één of beide testikels. Als er testikelweefsel is achtergebleven, blijft dat mannelijk geslachts-hormoon produceren. Dit hormoon is dan gemakkelijk in het bloed aan te tonen.
Maar let wel op: sommige, en dan met name oudere hengsten, kunnen ook als ze geen geslachtshormoon meer produceren toch nog hengstengedrag blijven vertonen.

Slotopmerking
Wanneer een eigenaar besluit zijn hengst te laten castreren, moet hij beslissen waar en door wie hij dat laat doen. Voor sommige eigenaren is dat geen vraag. Zij hebben voldoende ervaring opgedaan, hetzij in positieve hetzij in negatieve zin. Andere eigenaren willen overleggen. De eigen (erkende paarden)dierenarts is daarvoor dan de eerst aangewezen persoon. Hij/zij kan de eigenaar voorlichten over de verschillende methoden die er bestaan en de daaraan verbonden voor- en nadelen, ook als het gaat om de keuze tussen een castratie onder praktijkomstandigheden of in een kliniek. In dat overleg en bij de uiteindelijke besluitvorming spelen ook nog andere factoren een rol, zoals de leeftijd van de hengst en vaak ook de waarde van het dier en dat laatste wordt dan weer afgezet tegen de kosten van de castratie. Zo zijn aan een castratie in een kliniek minder risico's verbonden en het herstel van het dier zal doorgaans vlotter verlopen, maar de rekening is ook hoger. Kwaliteit bij de uitvoering van de castratie kost geld. De behandeling van onverwachte of onvoorziene complicaties kost echter ook geld, en soms kost het zelfs een paard. Financiële aspecten mogen bij de besluitvorming best een rol spelen, maar het belang van het dier moet toch centraal blijven staan. Voor dit laatste zijn eigenaar en dierenarts samen verantwoordelijk!